Dierenwelzijn
Gepubliceerd op 01/03/2024Op dinsdag 13 februari 2024 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een belangrijk arrest gewezen over over de kwestie van het ritueel slachten van dieren en de decreten van het Waals en het Vlaams Gewest, die voortaan voorschrijven dat dieren vóór het slachten moeten worden verdoofd[1].
Uit de uitspraak van het Hof blijkt duidelijk dat noch Vlaanderen, noch Wallonië met de goedkeuring van deze decreten artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst beschermt, hebben geschonden, in tegenstelling tot wat de verzoekers hebben aangevoerd. Onder de verzoekers bevinden zich verschillende organisaties en leden van de moslim- en joodse gemeenschappen die, sinds de goedkeuring van deze teksten, van mening zijn dat de genomen beslissingen hen beletten hun godsdienst te belijden zoals zij dat wensen.
Het arrest van het Hof maakt in principe een einde aan een langdurig debat. Dit debat begon na de goedkeuring van deze twee decreten en het besluit van het Brusselse parlement om op dit gebied geen wetgeving vast te stellen. In België heeft deze kwestie zelfs het Grondwettelijk Hof (GH) in beweging gebracht en ertoe geleid dat het Hof een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU).
We weten, of beter gezegd: we zouden moeten weten, dat godsdienstvrijheid geen absolute vrijheid is en dat de burgerlijke overheid deze tot op zekere hoogte kan reguleren indien het algemeen belang dat vereist. Deze beperkingen zijn vastgelegd in artikel 9, lid 2, in de volgende bewoordingen: «De vrijheid om zijn godsdienst of overtuiging te belijden mag niet aan andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij wet zijn vastgesteld en die noodzakelijke maatregelen vormen, in »een democratische samenleving, de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde, de volksgezondheid of de openbare zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.
De centrale vraag in deze zaak, die de Belgische wetgevers niet ontgaan is, was vanaf het begin of het verbod op het slachten zonder verdoving al dan niet een beperking van de godsdienstvrijheid vormde en of, in het geval van een bevestigend antwoord op deze eerste vraag, of het in overeenstemming was met de bepalingen van dit lid 2. In die zin reikt het arrest verder dan de Belgische context en zal het in de toekomst van invloed zijn op de jurisprudentie van het Hof.
Is er sprake geweest van inmenging?
De verzoekers voeren aan dat de decreten hun godsdienstvrijheid op ongerechtvaardigde wijze ernstig beperken. Zij zijn van mening dat het verdrag de bescherming van het welzijn van dieren niet waarborgt en dat het alleen mensen beschermt. Dit vormt volgens hen een ongerechtvaardigde inmenging[2].
De antwoorden van het Hof zijn bijzonder interessant en sluiten aan bij standpunten die de Belgische wetgever al geruime tijd verdedigt.
In dit verband herinnert het Hof eraan dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, zoals gewaarborgd in artikel 9 van het Verdrag, alleen geldt voor overtuigingen die een voldoende mate van kracht, ernst, samenhang en belang bereiken. Zodra echter deze Als aan deze voorwaarde is voldaan, is de plicht van de staat tot neutraliteit en onpartijdigheid onverenigbaar met enige beoordelingsbevoegdheid van zijn kant ten aanzien van de legitimiteit van religieuze overtuigingen of de wijze waarop deze worden uitgedrukt (zie Eweida e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 48420/10 en 3 andere, § 81, EHRM 2013 [uittreksels], en S.A.S. tegen Frankrijk [GC], nr. 43835/11, § 55, EHRM 2014 [uittreksels]). In feite is het Hof nauwelijks toegerust om een discussie te voeren over de aard en het belang van individuele overtuigingen. Wat de ene persoon als heilig beschouwt, kan in de ogen van een ander immers absurd of ketters lijken, en er kan geen enkel juridisch of logisch argument worden aangevoerd tegen de bewering van de gelovige dat een bepaalde overtuiging of praktijk een belangrijk onderdeel vormt van zijn religieuze voorschriften (Skugar e.a. tegen Rusland [arrest], nr. 40010/04, 3 december 2009).
In tegenstelling tot een veelgehoord verwijt aan het adres van het Hof, blijkt duidelijk dat het het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat respecteert en ondersteunt door te weigeren zich uit te spreken over kwesties van theologische aard. Het Hof sluit zich daarmee aan bij een doctrine van dubbele onbevoegdheid die al in de 19e eeuw werd verdedigd, tijdens de debatten over de eerste grondwet van de Belgische staat.
" Het burgerlijk recht en het religieus recht staan los van elkaar; het ene heeft geen voorrang op het andere; elk heeft zijn eigen domein, zijn eigen werkterrein. De heer Defacqz heeft openlijk verklaard dat hij wil dat het burgerlijk recht de voorrang krijgt; hij legt duidelijk het uitgangspunt vast dat hij als uitgangspunt neemt. Wij hanteren een volstrekt tegengesteld beginsel: wij ontkennen elke voorrang van het burgerlijk recht en willen dat het zich onbevoegd verklaart in religieuze aangelegenheden. Er bestaat evenmin een verband tussen de staat en de religie als tussen de staat en de meetkunde.[3].
Vijftig jaar later zal men vrijwel dezelfde argumentatie aanvoeren om aan te tonen dat het volgens het Belgische recht onmogelijk is om godslastering te bestraffen[4].
Dit gezegd zijnde, moet het Hof wel vaststellen dat de twee betwiste decreten inderdaad ingrijpen in aangelegenheden die betrekking hebben op de godsdienstuitoefening, en komt het logischerwijs tot de tweede vraag: is deze inmenging van de wereldlijke macht in religieuze aangelegenheden legitiem in het licht van artikel 9?
Een legitieme inmenging?
De belangrijkste argumenten van de verzoekers hebben betrekking op de vraag of deze inmenging al dan niet kan worden gerechtvaardigd door een beroep te doen op de openbare zedelijkheid. Volgens de verzoekers is dat niet het geval. Het argument van het dierenwelzijn zou niet voldoen aan de criteria voor de toepassing van dit begrip om de betwiste beslissingen te rechtvaardigen. De verzoekers zijn namelijk van mening dat:
Het nastreven van dit doel in verband brengen met de openbare zedelijkheid zou dus tot gevolg hebben dat zowel de letter als de geest van het Verdrag worden verdraaid, en zou een radicale paradigmaverschuiving betekenen, waarbij de suprematie van de mening van een deel van de bevolking dat zich bekommert om het welzijn van dieren, wordt bevestigd als grond voor het tenietdoen van een aspect de kern van de vrijheid van godsdienst van een ander deel van de bevolking.
Het Hof weerlegt in een uitgebreide motivering de stelling van de verzoekers. Daarbij baseert het zich op de werkzaamheden van de Belgische gewestparlementen en op een arrest van 17 december 2020 (Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., C-336/19, EU:C:2020:1031) van het Hof van Justitie van de Europese Unie, op basis van zijn eigen rechtspraak, maar ook op basis van de wetenschappelijke consensus die op dit gebied bestaat.
Het Hof erkent allereerst de kwaliteit van het wetgevingswerk en van de analyse van het probleem door het Hof van Justitie van de Europese Unie.
«In dit verband kan het Hof alleen maar vaststellen dat zowel het Hof van Justitie van de Europese Unie als de Het Grondwettelijk Hof heeft, in het kader van hun respectieve toetsing, rekening gehouden met geeft een gedetailleerd overzicht van de vereisten van artikel 9 van de Verdrag, zoals uitgelegd door het Hof.»
Ten slotte is het Hof van oordeel dat
«In deze zaak merkt het Hof met name op dat in de omstreden decreten wordt bepaald dat, wanneer dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze rituelen, de toegepaste verdovingsmethode omkeerbaar is en niet leidt tot de dood van het dier. Op basis van wetenschappelijke studies en na een uitgebreide raadpleging van de betrokken partijen, is men in de parlementaire werkzaamheden tot de conclusie gekomen dat geen enkele minder ingrijpende maatregel voldoende zou kunnen bijdragen aan het doel om de aantasting van het dierenwelzijn op het moment van het slachten te verminderen (paragrafen 25 en 28 hierboven). Aangezien het dossier dat aan het Hof is voorgelegd geen serieuze elementen bevat die aanleiding geven om deze conclusie in twijfel te trekken, merkt het Hof op dat de Vlaamse en Waalse wetgevers aldus hebben gezocht naar een evenredig alternatief voor de verplichting tot voorafgaande verdoving, rekening houdend met het door personen van islamitische en joodse geloofsovertuiging opgeëiste recht om hun religie te belijden, tegen de achtergrond van het toenemende belang dat wordt gehecht aande preventie van de dierenleed in het Vlaams Gewest en het Waals Gewest. Zij hebben ervoor gezorgd dat de maatregel niet verder gaat dan wat nodig is om het nagestreefde doel te bereiken.».
Vanuit juridisch oogpunt kan men waarschijnlijk stellen dat dit arrest zal de Europese landen die het ritueel slachten nog niet hebben gereguleerd, ertoe aanzetten dit te doen, al was het maar om de uitvoer van vlees dat volgens de oude methoden is geslacht naar landen met strenge regelgeving te beperken.
Maar het valt te vrezen dat de religieuze autoriteiten die het verzoek hebben ingediend, zullen volharden en dat de informatie die binnen de gemeenschappen de ronde doet, de gevoelige snaar van antisemitisme of islamofobie zal raken om hun gemeenschap tegen dit besluit te mobiliseren. Dit argument heeft de Brusselse wetgever al eens lamgelegd; je kunt er zeker van zijn dat het opnieuw zal worden aangevoerd.
Claude WACHTELAER, voormalig voorzitter, leider van de fractie «Europe des Droits»
[1] Zaak Executief van de Moslims van België e.a. tegen België, Verzoeken nr. 16760/22 en 10 andere.
[2] In de Verenigde Staten, waar het eerste amendement van de grondwet de vrijheid van godsdienst en overtuiging waarborgt (wat men de " vrijheidsclausule »), Juristen — en met name het Federale Hooggerechtshof of de hooggerechtshoven van de afzonderlijke staten — worden regelmatig gevraagd zich uit te spreken over deze kwesties van inmenging. De jurisprudentie is gebaseerd op de beoordeling van de " aanzienlijke last » (aanzienlijke last) welke beperking een wet of verordening oplegt aan de vrijheid van godsdienst en in hoeverre deze beperking een negatieve invloed heeft op de vrije uitoefening daarvan. Zie hierover FALLERS-SULLIVAN, W., De onmogelijkheid van godsdienstvrijheid, Princeton University Press, 2018.
[3] JB Nothomb, nationaal congres, zitting van 22 december 1830. We moeten de woorden van Nothomb niet verkeerd interpreteren. Hij doelt hiermee op de verleiding van het caesaropapisme. De herinnering aan Jozef II, de keizer-koster, is immers nog niet helemaal vervaagd, en ook koning Willem mengde zich graag in het reilen en zeilen van de godsdiensten. Dit betekent uiteraard niet dat de burgerlijke wet geen voorrang zou hebben … in burgerlijke aangelegenheden! JB Nothomb pleit niet voor klerikalisme.
[4] " Canonisten definiëren godslastering als een zware misdaad die tegen de godheid wordt begaan door middel van woorden of gevoelens die een belediging vormen voor haar majesteit of voor de door de religie onderwezen dogma’s. Deze overweging alleen al volstaat om ons te laten zien dat godslastering geen plaats mag innemen in de burgerlijke wetgeving. Het doel van de samenleving is niet om beledigingen aan het adres van God te wreken; de staat heeft niet het recht deze te bestraffen, aangezien hij niet eens bevoegd is om te bepalen wat al dan niet godslastering is.. Een wet die de rechter de taak toekent om godslastering te bestraffen, zou hem immers ook moeten aangeven wat daar precies onder wordt verstaan. Want op dit gebied kan men zich niet beroepen op het individuele geweten, aangezien dit verschilt naargelang de rechter de ten laste gelegde feiten beoordeelt vanuit het perspectief van de ene of de andere positieve religie, of vanuit een deïstisch standpunt. Wat de ene rechter ketterij zou noemen, zou de andere dogma noemen. Men kan zich dus niet verlaten op de beoordeling van de rechterlijke macht. Maar ook de wetgevende macht is, in ons publiekrecht, niet bevoegd, aangezien zij godslastering niet zou kunnen definiëren zonder een staatsgodsdienst af te kondigen, zonder de gelijkheid tussen alle burgers te schenden, en zonder de scheiding van kerk en staat teniet te doen, beginselen die in onze Grondwet zijn vastgelegd. — Giron, Publiek recht, nr. 0362.3, In „Belgische Pandecten“, Encyclopedie van de Belgische wetgeving, rechtsleer en jurisprudentie, door Edmond Picard en N. d’Hoffschmidt (red.), Brussel, Larcier, deel XIII, 1884, kol. 710—712 ".























